Eerste grote reis naar Zuid-Amerika: zo voorkom je een overvolle backpack
Stel je Schiphol voor. Jij, bezweet, met een backpack van 18 kilo op je rug en nog een daypack op je buik. Je ouders zwaaien, jij doet alsof het allemaal meevalt, maar eigenlijk snijden die schouderbanden nu al in je huid. Fast forward naar Lima: na drie dagen besef je dat je de helft van de inhoud niet eens uit de compressiezak hebt gehaald.
Ik ben die persoon geewest. Met drie spijkerbroeken (waarom?), twee dikke truien en wél een reisstrijkijzer, maar geen fatsoenlijke regenjas. Typisch Nederlandse reflex: voor álles voorbereid willen zijn. Alsof je in de Amazone ineens een sollicitatiegesprek hebt én een gala.
Deze paklijst is een uitgeklede, eerlijke gids voor je eerste langere reis door Zuid-Amerika. Geen encycloepdie, wel een scherpe selectie van spullen die ik en andere backpackers daadwerkelijk hebben gebruikt. Afgestemd op de verschillende klimaatzones die je waarschijnlijk gaat tegenkomen: koude Andesnachten, klamme Amazone-dagen, winderig Patagonië en de relaxte kust.
Ik focus op vier dingen: kleding die in álle zones werkt, gadgets die niet onderin je tas verstoffen, basic safety-gear waar je echt wat aan hebt en een paar reisapps die je planning en budget niet laten ontsporen. Onderweg verwijs ik ook kort naar andere trips – van een Himalaya-trekking tot je eerste meerdaagse hike in Europa – want voor veel mensen is Zuid-Amerika het begin van een serieuze trektochtenverslaving.
Maar eerst de vraag waar je nu waarschijnlijk mee zit: wat moet er nou écht mee?
Kleding per klimaat: van koude Andesnachten tot klamme Amazone-dagen
In Cusco zat ik ooit ’s avonds op een plein te rillen in een hippe hoodie die op Instagram geweldig stond, maar qua warmte meer weg had van een theedoek. 3.400 meter hoogte, gure wind, en ik in mijn “modejas”. Het was het moment dat ik laagjes echt begon te waarderen.
Andes: laagjes, niet meer truien
De Andes draait om stapelen. Niet om één megadikke trui. Met een thermoshirt, een fleece-trui en een lichte donsjas kun je van frisse ochtend tot ijskoude nacht schakelen zonder een halve kledingkast mee te slepen. Gooi er een buff bij voor je nek en één lange, comfortabele trekkingbroek. Merino sokken lijken duur, maar na een paar dagen op hoogte ben je blij met sokken die niet meteen naar natte hond ruiken.
Veel Nederlanders slepen nog steeds twee zware hoodies en een wollen vest mee. Dat is gewoon volumeverspilling. Bij bergreizen elders werkt het hetzelfde. Als je ooit een Himalaya-trekking plant, merk je dat het daar exact dezelfde laagjeslogica is. Alleen de hoogteverschillen en het eten zijn anders.
Amazone: lang, licht en sneldrogend
In de Amazone is het geen vraag óf je zweet, maar hoe snel. Hier winnen lichte, sneldrogende stoffen het altijd van katoen. Katoenen shirts veranderen na tien minuten jungletrail in natte vaatdoeken die nooit meer drogen.
Met één goede afritsbroek en twee luchtige shirts met lange mouwen kom je verrassend ver. Lang klinkt warm, maar je wilt je armen en benen echt bedekt hebben tegen muggen. Ik herinner me een avond in een lodgetje, zonder ventilator, waar ik zó blij was met dat ene dunne lange shirt. Iedereen in T-shirt werd lek geprikt, ik kwam er relatief ongeschonden uit.
Patagonië: wind en water zijn de baas
Patagonië is een ander spel. Hier gaat het niet om mode, maar om niet compleet wegwaaien. De basis: een echt goede regenjas (met capuchon), een winddichte softshell, plus muts en handschoenen. Dit zijn de dingen die je niet op de gok daar wilt moeten bijkopen, want de prijzen in toeristendorpen deden mij oprecht even slikken.
Als je daar ook serieus wilt wandelen, net als bij je eerste meerdaagse tocht in Europa, mag je best een tandje technischer inpakken. Toen ik mijn route voor een trip door de Alpen plande, hielp het artikel over je eerste meerdaagse hike in Europa me ook om eerlijk naar mijn gear te kijken. Maar zelfs dan: houd die backpack draagbaar. Eén warme laag extra is goud, drie zijn alleen maar ballast.
Kust: minder dan je denkt
Aan de kust draait alles weer om eenvoud. Bikini of zwembroek, een paar luchtige shorts, één jurkje of lichte lange broek en een dun overhemd tegen de zon. Meer heb je meestal niet nodig.
Toch zie je Nederlanders standaard met een halve zomergarderobe reizen, alsof er geen wasmachines bestaan. Real talk: met drie tot vier setjes kleding red je het prima voor de héle reis, zolang je soms een handwasje doet of af en toe een hostelwas inplant.
Kleine kleur-tip tussendoor: spierwitte kleding in de Amazone wordt in twee dagen beige, en alleen zwart in de hitte is gewoon een draagbare sauna. Neutrale, iets donkerdere tinten zijn je vriend. Goed, genoeg textielpraat. Door naar de spullen met knopjes.
Gadgets, safety-gear en reisapps die je echt gaat gebruiken
De meeste powerbanks, kabelslotjes en geheime geldverbergers die in Nederland worden gekocht, halen de eerste hostelkamer niet eens uit hun verpakking. Ik nam ooit drie hangsloten mee. Rara, hoeveel heb ik er gebruikt? Eén. Maar dat ene slot maakte wél uit toen ik in een nachtbussituatie mijn backpack in een twijfelachtige bagageruimte moest achterlaten.
Qua gadgets houd ik het tegenwoordig bij een lichte powerbank, een universele reisstekker, een e-reader of dun boek, en een kleine hoofdlamp. Dat laatste lijkt overdreven, tot je om 5.30 uur door een slapende slaapzaal probeert te sluipen zonder op iemands bril te gaan staan. Als ik veel ga hiken, neem ik een simpele filterfles mee. Werkt goed op trails, scheelt plastic flesjes en soms ook buikpijn.
Zware camera’s zijn verleidelijk, maar eerlijk: in de meeste hostels liggen ze stof te happen in lockers. Mijn telefoon met goede camera, plus extra opslag in de cloud, bleek in heel Zuid-Amerika genoeg. De paar mensen die wel met spiegelreflex liepen, gebruikten ’m op dag vier al alleen nog voor Machu Picchu en verder niet meer.
Voor veiligheid zoek ik vooral dingen die ik echt ga dragen. Een platte moneybelt of klein heuptasje werkt beter dan zo’n log ding dat je na twee dagen irritant vindt. Ik draag ’m bij lange busritten en in drukke markten. De rest van mijn geld verspreid ik: wat in de toilettas, wat in een schoen, een extra pinpas op een andere plek.
Twee stevige TSA-sloten voor je backpack en hostelkluisjes zijn ruim genoeg. Een klein kabelslot is handig als je je tas ergens wilt vastmaken, maar hele survival-kits, anti-diefstal-rugzakken met vijftien verborgen vakken en geheime nekportemonnees? In de praktijk vooral marketing. Wat mensen dan weer wél vergeten: een kopie van je paspoort (digitaal én geprint) en de gegevens van je reisverzekering gewoon op papier in je notitieboek.
Apps maken je leven nog een stuk lichter. Offline kaarten zoals Maps.me of vooraf gedownloade Google Maps hebben me letterlijk uit verkeerd ingestapte bussen gered. Een simpele vertaalapp is onmisbaar als je Spaans nog vooral uit “dos cervezas por favor” bestaat. In elke regio heb je weer andere OV- en taxiservices; vraag in hostels welke app daar werkt en installeer die gewoon.
Voor budget en planning vind ik één centrale plek belangrijk. Ik gebruik Trip Planner van HikersBay om route, kosten en paklijst in één overzicht te houden – scheelt twintig losse notities op je telefoon. Dankzij zo’n overzicht heb ik serieus een derde paar schoenen níet ingepakt. Dat geld ging later naar een extra stranddag, ongeveer het niveau van keuzes dat ik ambieer. Hetzelfde idee kwam ik ook tegen in het artikel over budgetvriendelijk naar Cuba’s stranden: goede voorbereiding op geld en spullen geeft je ter plekke juist meer vrijheid.
Wat Nederlanders structureel fout inpakken (en hoe jij het slimmer doet)
In een hostel in La Paz zag ik iemand zijn backpack uitpakken. Er kwamen drie spijkerbroeken uit, vijf universele stekkers, een stapel reisgidsen van samen zeker anderhalve kilo, plus een föhn. We hebben samen gelachen, maar ergens deed het zeer herkenbaar pijn.
Typische Nederlandse overdrijvingen? Schoenen. Hardloopschoenen, wandelschoenen, sneakers én slippers. Alsof je een eigen Foot Locker-franchise opent in je dorm. Intussen kun je met één paar goede sneakers of trailrunners en één paar simpele slippers bijna alles doen. Ik wandel, ga uit eten, loop door modder en sta in busstations op hetzelfde paar schoenen. Werkt.
Dan de nette kleding “voor het geval je uit eten gaat”. Nieuws: in 90% van de restaurants in Zuid-Amerika zit iemand in een afritsbroek. Een schoon T-shirt en een niet-afgetrapte broek zijn meer dan genoeg. Je hoeft geen blazer de Andes over te sjouwen.
Ook populair: een halve drogist mee. Shampoo, conditioner, haarmaskers, vijf soorten creme, een volle EHBO-koffer, drie handdoeken. Ik ben daar zelf ook schuldig aan geweest. Inmiddels neem ik één sneldrogende handdoek mee, een kleine toilettas en alleen medicijnen die ik zelf goed ken (paracetamol, iets voor je buik, pleisters). Zelfs in kleine dorpjes in Colombia kon ik zonder probleem basisdingen kopen. Dat gaf rust – en ruimte in mijn tas.
Waar we juist op beknibbelen, zijn de spullen die de reis écht aangenamer maken. Een goede regenjas bijvoorbeeld. Die koop je dan “wel daar”, zeg je thuis stoer, om vervolgens in Patagonië een jas te betalen waar je in Nederland een weekendtrip van kan doen. Een fatsoenlijke dagrugzak idem. En dingen zoals een extra SD-kaart of wat extra opslagruimte, een tweede pinpas, een eSIM of flexibele sim-oplossing en een klein flesje lichtgewicht wasmiddel met een waslijntje… dat zijn van die saaie items waar je jezelf later dankbaar voor bent.
Ik scheurde ooit mijn enige dikke trui aan een roestige spijker in een hostelmuur. Midden in een gure regio, geen zin en geen budget om direct een nieuwe te kopen. Gelukkig had ik één extra warme laag ergens onderin mijn tas gepropt “voor het geval dat”. Precies dát geval dus. Eén reserve is vaak genoeg – maar die ene reserve moet dan wel slim gekozen zijn.
De kortste richtlijn die ik inmiddels gebruik: richt je tas in op basis van wat je gáát doen, niet op basis van alles waar je misschien bang voor bent. Kijk naar je route: Andes, Amazone, Patagonië, kust. Als je per zone twee à drie kernitems goed hebt – een warme laag, een regenlaag, iets lichts met lange mouwen – is de rest ter plekke te fixen.
En als je het toch verkeerd inschat? Troost je: de meeste mensen sturen halverwege hun reis alsnog een pakketje vol overbodige troep naar huis. Met een strakkere paklijst sta je hopelijk net níet in die rij bij het lokale postkantoor.
“}
