Waarom je Nara eens zonder herten en hoofdstraten moet ervaren
In Nara gaat het meestal volgens een vast script. Je loopt vanuit het station naar Nara Park, voert de hertjes wat crackers, wringt je langs de selfiesticks bij Tōdai-ji, schiet nog snel een foto van de lantaarns bij Kasuga-taisha en staat aan het eind van de middag alweer in de trein naar Kyoto.
Ik deed dat dus ook. Tot er op een ochtend voor Tōdai-ji drie volle bussen met schoolklassen vóór mijn neus leegstroomden. Nog voor ik de tempel binnen was, had ik al honderd keer “sumimasen” gemompeld. Op dat moment besloot ik letterlijk de andere kant op te lopen: de heuvels in, weg van de massa.
En daar wordt Nara ineens een andere stad. Net buiten het centrum beginnen groene hellingen, stille bospaadjes en uitzichtpunten waar je vooral lokale wandelaars en een paar trailrunners ziet. De herten zijn er ook, maar ze komen je niet bedelend tegemoet om rijstwafels.
In dit stuk gaat het dus niet om nog een tempel-top-10, maar om wandelen rond Nara: korte hikes, dagtochten de natuur in, hoe je er met het ov komt en hoe je de drukte rond de grote tempels slim kunt omzeilen. Geen bergexpeditie, wel vuile schoenen en frisse lucht.
De timing doet trouwens veel. In de kersenbloesemweken en tijdens de herfstkleuren is het drukker, maar ook mooier. Wie de mensenmassa’s én hoge prijzen wil vermijden, kan eens kijken naar rustigere maanden. In dit artikel over reizen naar Japan in april, juni of oktober vind je een paar verrassend betaalbare periodes die voor Nara heel goed werken.
Groene ontsnapping rond Nara: heuvels, uitzicht en stille forest trails
Het gekke aan Nara: iedereen heeft het over de tempels, bijna niemand over de heuvels erachter. Terwijl je vanaf het gras van Mount Wakakusa letterlijk uitkijkt over de hele oude hoofdstad.
Een makkelijke eerste stap is precies die berg. Vanaf Nara Park loop je in een klein kwartier naar de voet van Mount Wakakusa. Daar begint een klim die meer weg heeft van een stevige stadswandeling dan van een echte hike. Eerst ga je door een stukje bos, daarna kom je op brede grashellingen. Het uitzicht wordt bij elke bocht beter: tempeldaken, herten beneden in het park, en op een heldere dag de vlakte tot ver richting Osaka.
Op een bewolkte ochtend in juni deed ik er eerlijk gezegd langer over dan nodig. Niet door het pad, maar door mijn camera. De mist hing precies boven de rijstvelden achter de stad, dus ik bleef om de paar minuten stoppen. Wandeltijd: een uur. Fototijd: minstens anderhalf.
Wie iets verder wil, kan vanuit dezelfde hoek de bosrijke routes opzoeken die doorlopen richting de hogere ruggen achter Nara. In gidsen en op visitnara.jp vind je beschrijvingen van regionale natuurparken rond de stad. Veel daarvan beginnen bij een simpele bushalte of klein station, waarna je via bospaden langs kleine shrines en soms verlaten theehuisjes omhoog slingert. De sfeer is anders dan in de parken: minder aangeharkt, meer “gewoon bos” waar toevallig duizend jaar geschiedenis tussendoor loopt.
Een andere fijne optie is een luswandeling die start bij Kintetsu Nara Station. Je loopt eerst langs de rand van Nara Park, pakt een uitzichtpunt mee boven de stad en daalt via een andere route weer af langs een paar kleine, bijna vergeten heiligdommen. Op een zondagmiddag kwam ik er nauwelijks andere reizigers tegen. Af en toe een jogger, een oudere vrouw met boodschappentassen, dat was het.
Je hoeft voor dit alles geen hardcore bergwandelaar te zijn. Met een redelijke conditie, goede schoenen en een kaartapp op je telefoon kom je een heel eind. Combineer die met de informatie op visitnara.jp en je hebt genoeg input om een route te kiezen die past bij je stemming van die dag.
Het seizoen verandert de sfeer compleet. In juni is alles knalgroen, vochtig en soms kleverig warm. De kans op regen, mist en muggen is flink, maar je krjigt er tropisch ogende bossen voor terug. Toen ik mijn trip inplande, heb ik dankbaar gebruikgemaakt van dit overzicht van het weer in Japan in juni per regio. Handig, want het weer rond Nara kan anders zijn dan aan de kust. In de herfst is het precies omgekeerd: frisser, droger, met rode en gele hellingen waar je vanzelf langzamer gaat lopen.
Als het centrum je even te veel wordt – selfie-chaos, scholieren, verkeersgeluid – is zo’n groene escape op nog geen half uur lopen of een korte busrit precies wat je hoofd nodig heeft.
Zo pak je het aan: ov, dagtochten en slimme routecombinaties buiten Nara
Goed nieuws voor iedereen die bij het woord “plattelandsbus” lichte stress krijgt: rond Nara is het ov echt behapbaar. Vanuit Nara Station of Kintetsu Nara pak je zonder moeite lokale treinen of bussen richting de kleinere natuurgebieden. De bewegwijzering is overzichtelijk en bij de grotere haltes hangt bijna altijd een Engelstalige dienstregeling.
Een van mijn favoriete dagjes ging ongeveer zo. Vroeg op, koffie to go, en dan de eerste bus naar de heuvels achter de stad. Een paar uur lopen over bospaden, lunch op een bankje met uitzicht op de vlakte, daarna terug naar dezelfde bushalte. Nog energie over? Dan stap je uit bij een ander stationnetje en pak je een kort extra rondje door een regionaal park voordat je weer terugkachelt naar Nara voor ramen.
Je kunt het ook omdraaien: eerst een minder bekende tempel die net buiten de drkste zone ligt, daarna direct via een bergpad omhoog naar een uitzichtpunt. De overgang van wierookgeur naar vochtige bosgrond in een kwartier tijd is precies waarom ik Nara ben gaan waarderen.
Planning helpt. De grote tempels zijn het rustigst vroeg in de ochtend of juist later in de middag. Midden op de dag stromen de dagjesmensen van Kyoto binnen. Ideale tactiek: of je staat bij opening al bij Tōdai-ji en loopt daarna door naar de heuvels, of je wandelt eerst een halve dag in de natuur en sluit af met een laat tempelbezoek als de bussen schoolkinderen weer vertrokken zijn.
Bij dagtochten let ik zelf ook altijd op weer en hitte. Toen ik mijn junireis voorbereidde, heb ik niet alleen het regionale weer gecheckt via dat artikel over het weer in Japan in juni, maar ook wat extra marges ingebouwd in mijn planning. Liever een kortere route met tijd voor een plotselinge stortbui dan precies op het nippertje een trein halen.
Over ov gesproken: ik heb zelf één keer flink staan balen omdat ik dacht dat een bus elk kwartier ging. Bleek het schema buiten het centrum net even anders: eens per uur. Ik stond dus veertig minuten op een verlaten halte met alleen een snoepautomaat. Moraal van het verhaal: check de terugreis ook, niet alleen de heenweg.
Als je nog moet beslissen waar je slaapt, is het handig om vooraf een gevoel te krijgen voor prijzen. Ik heb zelf via HikersBay gekeken naar de geschatte kosten van hotels rond Nara en omliggende plaatsen. Dankzij de overzichtjes en de pagina met indicatieve hotelprijzen kon ik aardig inschatten of het loonde om in de stad te blijven slapen of juist een rustigere lodge dichter bij een natuurgebied te kiezen. De ene keer won het comfort van lekker eten in Nara, de andere keer heb ik gekozen voor een simpel guesthouse in een groenere omgeving.
Van tempeldrukte naar bergbries: paklijst, seizoenen en rustiger routes
Het fijne aan Nara is dat je de klassiekers niet hoeft over te slaan om toch rust te vinden. Je kunt prima om zes of zeven uur ’s ochtends door een bijna leeg Nara Park lopen, even bij de grote boeddha van Tōdai-ji langs, en vervolgens met een broodje in je tas doorsteken naar de heuvels erachter. Tegen de tijd dat de bussen vol schoolklassen arriveren, sta jij al halverwege een bospad.
Andersom kan ook: een complete natuurdag, met alleen een paar kleine shrines onderweg. Je start bijvoorbeeld bij een buitenwijkstation, loopt via een bergkam met uitzicht over de stad en daalt tegen het einde van de middag pas weer af richting de bewoonde wereld. De tempels zie je dan alleen nog als daken in de verte.
In de lente hangt er roze kersenbloesem langs de hellingen en zijn zelfs simpele grasveldjes ineens fotogeniek. Zomers is het groen overweldigend en voelt elke schaduwplek dubbel zo goed. In de herfst krijg je heldere lucht, zicht tot ver over de vlakte en oranje-rode bossen die bijna licht geven in de namiddagzon.
Qua kleding werkt Nara een beetje als een mini-berggebied. ’s Ochtends fris, overdag warm in de zon, einde middag weer koel. Laagjes zijn dus je beste vriend. Ik heb voor mijn eigen paklijst veel gehad aan de aanpak uit dit artikel over laagjes voor Patagonië. Klinkt misschien overdreven voor Nara, maar het principe is hetzelfde: dun basislaagje, iets warms erover, een licht jasje tegen wind en regen. Dan hoef je niet elk uur opnieuw te bedenken of je het koud of heet hebt.
Als je flexibel bent met data, wordt het nog leuker. Door buiten de piekmaanden te reizen – bijvoorbeeld in een van de periodes in dit stuk over verrassend goedkope maanden voor Japan – kun je vaak langer blijven zonder dat je budget ontploft. Extra dagen betekenen meer ruimte voor rustige routes, spontane wandelingen en gewoon een middag op een heuvel zitten zonder plan.
Neem een kleine dagrugzak, vul je fles bij in de tempelgebieden (waar vaak gratis drinkwaterpunten staan), gooi er een regenjasje, zonnebrand en iets te snacken in en stap een bushalte verder dan de gemiddelde bezoeker. Nara verandert dan van een “ééndagsuitstapje met hertjes” in een stad waar je je wandelstokken uit wil klappen. En de oude hoofdstad ziet er vanaf een stille heuvelrand ineens stukken indrukwekkender uit dan tussen de souvenirkraampjes.

Dat beeld van Nara als plek waar je in een rechte lijn van station naar herten en tempels loopt, herken ik zo goed; ik wist eigenlijk niet dat er zóveel rustige wandelroutes net buiten dat standaardrondje liggen. Ik ben vooral benieuwd hoe duidelijk die paden zijn aangegeven zodra je de drukte verlaat: kun je met basiskaart en wat bordjes al uit de voeten, of raad je echt een specifieke kaart-app of (Japans) wandelgids aan om niet te verdwalen? En hoe zit het met seizoenen: zijn er routes die je beter in de lente of herfst loopt vanwege zicht, beren/ticks of juist sneeuw en gladheid?
Dank voor je mooie reactie, Bradley, die rechte-lijn-ervaring kennen zóveel mensen inderdaad. Buiten het standaardrondje kom je met een basiskaart en de bordjes meestal best ver, maar ik raad echt aan om een offline kaart in een app met GPS (bijvoorbeeld via OpenStreetMap) te gebruiken, omdat sommige zijpaden slecht gemarkeerd zijn. Qua seizoenen zijn vooral lente en herfst ideaal: in de zomer is het snel benauwd en begroeid, en in de winter kunnen juist de hoger gelegen paden richting Wakakusa-yama en verder richting de bergen verraderlijk glad worden door ijs op schaduwrijke stukken.