Hoe duur is Zuid-Amerika nou echt? De korte versie vóór je gaat dromen
“Zuid-Amerika is toch spotgoedkoop?” Die vraag krijg ik vaker dan mijn moeder vraagt of ik al een vaste baan heb. Het antwoord: ja én nee. Bolivia en grote delen van Peru en Colombia zijn nog steeds vriendelijk voor je portemonnee. Argentinië, Chili en de grote steden voelen soms meer als een stedentrip naar Zuid-Europa.
In dit stuk gooi ik geen perfecte Exfel over je uit, maar een soort nieuwsupdate van de prijzen zoals ik ze zelf betaalde, plus wat recente dagbudgettabellen en gidsen van onder andere backpackenzuidamerika.nl als reality check. Als solo-backpacker die in dorms slaapt en vooral met bussen reist, zat ik zelf grofweg op 30–45 euro per dag in de goedkope landen en eerder 45–65 euro in de duurdere.
Met “dagbudget” bedoel ik: een bed in een hostel, drie maaltijden (minstens één warm), lokaal vervoer (bus, metro, af en toe taxi of Uber) en iets leuks: een museum, tour, entree voor een ruïne of een kleine excursie. Geen intercontinentale vluchten, geen nieuwe backpack, geen full-moon-fiesta’s met tien cocktails.
Ik loop langs Peru, Colombia, Bolivia, Argentinië en Chili. Bij elk land kijk ik naar de sfeer én wat het doet met je portemonnee. Dus: wil je vooral goedkoop rondzwerven, of droom je van Patagonië en wijn en moet je dan ergens anders inleveren? Tussendoor gooi ik er wat praktische bespaartips in over hostels, menu del día, langeafstandsbussen, nachtbussen en een beetje slim plannen met je route.
Zelf gebruik ik de Trip Planner van HikersBay om per bestemming een grof bedrag per dag in te vullen. Geen rocket science, gewoon handig overzicht. De bedragen hieronder zijn geen heilige graal, maar genoeg om te beslissen of dat ticket naar Lima of Bogotá dit jaar haalbaar is.
Peru, Colombia en Bolivia: hier reis je nog écht goedkoop
In Peru had ik een dag dat ik serieus dacht dat ik per ongeluk in de verkeerde valuta betaalde. Arequipa, lunchmenu voor minder dan een cappuccino thuis, alles leek gratis. Tot ik in Cusco ineens 30 euro aftikte voor een tour en weer wakker was. Binnen één land kunnen de prijzen flink schommelen.
Peru: goedkoop, tot je bij Machu Picchu aankomt
Een typische dag voor mij in Arequipa of Cusco: een hostelbed voor 8–15 euro, vaak met simpel ontbijt (brood, jam, koffie) erbij. Lunch als menu del día: soep, hoofdgerecht, drankje, meestal tussen de 2 en 4 euro. ’s Avonds eet ik graag op de markt of in een kleine comedor voor 3–6 euro. Geen sterrendiner, wel vol.
Vervoer binnen de stad gaat voor kleingeld met bus of collectivo. Tussen steden pakte ik vooral langeafstandsbussen. Voor Arequipa–Cusco betaalde ik iets van 20 euro voor een nachtbus met prima stoelen. Soms vond ik deals rond de 15 euro, soms zat ik dichter bij de 30 voor een luxere maatschappij.
Activiteiten trekken het gemiddelde omhoog. Machu Picchu is de grote uitschieter: ticket, vervoer, eventueel gids… je dag schiet zo boven de 60 euro uit. Daar tegenover staan goedkope hikes, uitzichtpunten en kleine musea. Op rustige dagen zat ik rond de 30–40 euro, op Machu-Picchu-dagen ruim boven de 60. Volgens de budgettabellen van backpackenzuidamerika.nl zit ik daarmee nog redelijk in de pas.
Colombia: goedkoop eten, dure hippe koffie
In Colombia waren hostelprijzen vergelijkbaar met Peru: 8–18 euro per nacht, afhankelijk van stad en hype. In Medellín en Cartagena lag ik eerder aan de bovenkant dan in een kleiner stadje.
Eten kan idioot goedkoop zijn. Arepa’s op straat, een menu del día voor 2–4 euro, verse sappen voor een euro of minder. Maar dan bestel je in een hippe wijk van Bogotá één cappuccino en zit je opeens bijna op Nederlandse prijzen. Ik heb meer dan eens gedacht: “Voor dit geld had ik drie menu’s van de dag kunnen eten.”
Vervoer is betaalbaar: een metroritje in Medellín kostte me niet veel meer dan losse muntjes, Uber of taxi’s voor korte ritten vaak 2–5 euro. Activiteiten: veel steden hebben gratis walking tours, waar je fooi geeft. Ik gaf meestal 5–10 euro, afhankelijk van hoe goed het was. Musea kosten vaak maar een paar euro.
Gemiddeld kwam ik in Colombia uit op 30–45 euro per dag. Reis je vooral met lokale eettentjes, drink je weinig alcohol en sla je de hippe koffiebars grotendeels over, dan kan het nog lager.
Bolivia: budgetkampioen met ruwe randjes
Bolivia is de plek waar je portemonnee opgelucht ademhaalt, maar je knieën niet altijd blij zijn met de bussen. Hostelbedden vond ik voor 6–10 euro per nacht. Lokale maaltijden voor 2–3 euro, soms nog minder op markten. Een langeafstandsbusrif van acht tot twaalf uur kostte meestal tussen de 8 en 20 euro, maar het comfortniveau lag duidelijk lager dan in Peru of Chili.
De grote kostenpost is de Salar de Uyuni-tour. Voor een driedaagse tour was ik grofweg 120–150 euro kwijt, inclusief eten en overnachtingen. Die drie dagen trekken je gemiddelde dus flink omhoog. Buiten zulke tours had ik dagen dat ik met 25–35 euro prima rondkwam.
Bespaartips die in alle drie de landen werken
Slapen: dormbedden in hostels zijn de standaard voor budgetreizigers. Ontbijt inbegrepen klinkt leuk, maar soms is het duurder dan zelf brood en fruit halen. Hostels met keuken zijn goud waard: een grote pan pasta koken met nieuwe reisvrienden, en je bent voor een paar euro klaar.
Eten: het menu del día is je beste vriend. In Peru en Colombia heb ik er letterlijk weken op geleefd. Je hoeft niet te kiezen, je krijgt gewoon wat de pot schaft, en je portemonnee lacht.
Vervoer: langeafstandsbussen zijn de sweet spot tussen prijs en ervaring. Nachbussen besparen een overnachting, maar neem oordoppen en een trui mee. Op sommige trajecten voelde een nachtbus bijna luxe, op andere leek het meer op kamperen in een koelkast op wielen.
Als je in de busmodus zit en merkt dat je eigenlijk vooral lange routes plannen leuk vindt, dan is het misschien een idee om later eens te kijken hoe je zelf begint aan een Europese langeafstandswandeling. Heel ander continent, maar hetzelfde gevoel van langzaam verplaatsen.
Argentinië en Chili: prachtig, maar je portemonnee huilt een beetje mee
In Buenos Aires had ik mijn eerste koffie in een hippe bar, tikte af en zei bijna hardop “oeps”. Het voelde ineens totaal niet meer als “goedkoop backpackland”. In Santiago precies hetzelfde verhaal. Fantastische steden, maar de prijzen trokken me abrupt terug naar de realiteit.
Argentinië: prijsroulette met inflatie
Argentinië is lastig te vangen in vaste bedragen, omdat wisselkoersen en inflatie er een soort dagelijkse loterij van maken. Omgerekend betaalde ik soms 20–30 euro per nacht voor een simpel privékamertje, maar ik vond ook dorms voor rond de 10–15 euro. De truc is vaak: even zoeken, veel vergelijken en ter plekke horen wat andere reizigers betalen.
Eten viel mee zolang ik lokaal bleef. Een parrilla (grillrestaurant) deelt je vaak enorme porties vlees waar je bijna twee dagen op kunt teren. Empanada’s en simpele menu’s van de dag kosten niet de wereld. Maar zodra ik in een trendy wijk uit eten ging “zoals thuis”, was ik voor een diner zo 15–20 euro kwijt, zonder gek te doen.
Een doorsneedag in Buenos Aires of Salta: ontbijt in het hostel, goedkope lunch voor 5–8 euro, ’s avonds ergens eten voor 10–15 euro. Tel daar metro, een paar koffie’s en misschien een drankje bij op, plus af en toe een tango-show of wijnproeverij, en ik zat snel op 45–60+ euro per dag. In Patagonië schoot dat omhoog door dure tours en lange busritten of binnenlandse vluchten.
Chili: de duurste van de vijf
Chili was voor mij de “auw”-categorie. Hostelbedden in Santiago en Valparaíso kostten vaak 15–25 euro voor een dorm. Een simpele maaltijd buiten de deur 7–12 euro. In de supermarkt voelde het vaak bijna Europees qua prijs.
Langeafstandsbussen zijn goed geregeld, maar niet spotgoedkoop. Voor een lange rit betaalde ik makkelijk 25–40 euro. Een concreet voorbeeld: voor een nachtbus tussen twee grote steden (dat traject wat je altijd net langer vindt duren dan op de kaart lijkt) zat ik rond de 30 euro met een half-fatsoenlijke stoel.
Activiteiten hakken er ook in: Torres del Paine, de Atacama-woestijn, wijnregio’s… allemaal fantastisch, maar als je alles doet, loopt je budget gewoon weg. Ik moest bewust kiezen: deze tour wel, die volgende dan niet.
In steden als Santiago ging ik heel bewust op zoek naar straten waar locals eten, een beetje zoals ik eerder in Bangkok verborgen foodstraten zocht waar geen toerist te zien was. Niet glamorous, wel beter voor je budget.
Strenger budgetteren zonder alle lol te verliezen
In Argentinië en Chili moest ik echt bewuste keuzes maken. Meer nachtbussen in plaats van hostels, vaker zelf koken, de grootste maaltijd van de dag verplaatsen naar de lunch (die is vaak goedkoper) en af en toe een dure tour skippen om gewoon zelf te gaan hiken of een fiets te huren.
Met die aanpak kreeg ik mijn dagbudget soms terug naar 40–45 euro. Maar dat vroeg discipline. De verleiding is groot om “toch maar” dat extra wijnproefje of die dure dagtour te boeken. En af en toe deed ik dat gewoon en at ik de dagen erna weer instant noodles.
Na een week Chili keek ik ineens met extra liefde terug op Boliviaanse prijzen. Grappig hoe snel je referentiekader schuift.
Slim je route en dagbudget plannen: zo rek je je geld zonder gierige killjoy te worden
Boek je eerst je ticket en zie je daarna wel hoe duur het wordt? Of draai je het om? Ik ben zelf om. Tegenwoordig zet ik eerst een grof dagbudget per land in een planner, en boek ik daarna pas de grote vluchten. De Trip Planner van HikersBay is daarbij gewoon een handig tabblad waar ik per stop mijn geschatte hostel, bus, eten en activiteiten invul.
Rekenen doe ik simpel. Ik kies een gemiddelde dagprijs per land: bijvoorbeeld 35 euro voor Peru en Bolivia, 40 voor Colombia, 55 voor Argentinië en Chili. Dan vermenigvuldig ik dat met het aantal dagen dat ik ongeveer daar wil zijn. Op het totaal gooi ik nog een buffer voor dure tours en onverwachte kosten.
In de praktijk zag dat er vaak zo uit: vijf dagen extreem goedkoop leven (zelf koken, alleen gratis activiteiten, lopen in plaats van taxi) en dan één dag losgaan op een hike, wijnproeverij of boottocht. Een soort mini-jojo-effect in je budget.
Concrete bespaarkeuzes helpen echt. Hostels met keuken, menu del día als vaste lunch, langeafstandsbussen in plaats van binnenlandse vluchten, en nachtbussen om een overnachting uit te sparen. Mijn beste nachtbus ooit was in Peru: bijna ligstoel, deken, film, klaar. Mijn slechtste was in Bolivia, naast een luidruchtige speaker met non-stop panfluit-remixen. Ik heb die nacht serieus overwogen om uit te stappen in het midden van nergens.
Seizoen en omstandigheden spelen ook mee in je kosten. In het hoogseizoen zijn hostels duurder, maar soms kies je ook juist een periode om iets te vermijden of juist te zien. Net zoals ik in Cuba eerst checkte wanneer de stranden het mooist en het minst vol sargassum zijn voordat ik boekte. Zelfde idee met het regenseizoen in de Andes of de drukste weken in Patagonië.
Een paar mentale trucjes houden je budget scherp. Jezelf een dagbudget in cash geven en de rest op je rekening laten. Biertjes tellen (hoe vaak loopt je rekening ognemerkt vol door “nog eentje dan”?). Elke paar dagen even alle uitgaven in een notitie-app knallen, puur om te zien waar het geld lekt. Vaak zijn het niet de Machu-Picchu’s van deze wereld, maar de snacks, koffies en taxi’s “omdat ik geen zin heb om te lopen”.
Voor mij blijft Zuid-Amerika één van de fijnste continenten om met een normaal salaris lang rond te reizen. Je moet alleen een beetje scherp zijn op waar je slaapt, wat je eet en welke dure activiteiten je echt belangrijk vindt. Pak een kaart, een rekenmachine, gooi je droomroute en dagbudget naast elkaar en kijk wat overeind blijft. Dromen zijn leuk, maar uiteindelijk is het toch je bankrekening die beslist waar je landt.
