Reistips

Rio de Janeiro voor beginners: slimme routes, stranddagen en veilig op pad

Rio de Janeiro voor beginners: slimme routes, stranddagen en veilig op pad

Eerste indruk van Rio: chaos, kust en hoe je je dagen het slimst indeelt

Mijn eerste uur in Rio bestond uit drie dingen: zweet, uitlaatgassen en een zeezicht waar je ineens alles voor vergeeft. De stad voelt warm, luid en groot. Heel groot. Op de kaart lijkt alles best dichtbij; in de taxi leer je snel dat Rio andere plannen heeft.

Als je 3 tot 5 dagen hebt, moet je kiezen. In drie dagen ga je voor de grote iconen: Christusbeeld, Suikerbroodberg, Copacabana, Ipanema, misschien één avond Lapa. Met vijf dagen kun je het tempo laten zakken, Santa Teresa inplannen en een favela-tour rustig ertussendoor schuiven.

Een typische dag voor mij zag er zo uit: ’s ochtends vroeg sightseeën, zolang de zon je nog niet knock-out slaat. Tegen de middag naar het stradn, onder een parasol doen alsof je sportief bent. ’s Avonds eten en dan naar Lapa voor muziek, caipirinha’s en het gevoel dat je lever een officiële klacht gaat indienen.

De eerste dag maakte ik de klassieke fout: van alles “even” doen. Christusbeeld, Copacabana, Lapa, ergens ook nog boodschappen. Halverwege de middag lag ik half bewusteloos onder een palmboom, bezweet ticket in mijn hand, nul energie. Sindsdien plan ik in blokken: maximaal twee echte activiteiten per dag, plus strand of uit eten.

Afstanden zijn verraderlijk. Tien kilometer klinkt niet spannend, maar met file en stoplichten ben je zo drie kwartier verder. Vooral op dagen met het Christusbeeld of Suikerbroodberg loont het om echt een route te bedenken. Ik ben zelf een nerd met routeplanningen, dus ik zet mijn dagen vooraf in Trip Planner van HikersBay. Dat ding geeft me een simpel dag-tot-dag overzicht, zodat ik niet halverwege ontdek dat ik drie keer onnodig door de stad zigzag.

Voor bredere Brazilië-planning en dingen als seizoenen, regentijd en feestdagen gebruik ik sites als atlas-guide.com en recente reisblogs. Niet om alles tot op de minuut dicht te timmeren, wel om een idee te hebben wanneer ik vooral níet in een bus wil zitten terwijl heel Rio naar hetzelfde feest rijdt.

Straks komen de klassiekers, de strandwijken, Santa Teresa, Lapa, favela-tours en veiligheid. Eerst: hoe je die grote namen aanpakt zonder na twee dagen uitgeput te zijn.

Copacabana, Ipanema, Christus en Suikerbrood: zo pak je de klassiekers slim aan

Op mijn eerste ochtend in Rio kwam ik om 11.30 uur op Copacabana aan. Zon vol op mijn ongesmeerde schouders, nul schaduw, 35 graden. Om 13.00 uur zag ik eruit als een gekookte kreeft en heb ik onder een parasol heel hard nagedacht over levenskeuzes. Sindsdien plan ik alles rond de koelere uren.

De grote drieslag kun je makkelijk over twee à drie dagen verdelen. Eén ochtend voor Christus de Verlosser, één namiddag voor de Suikerbroodberg. Daartussen schuif je blokken Copacabana en Ipanema. Klinkt simpel, werkt echt.

Voor het Christusbeeld ga je zo vroeg mogelijk. Rond openingstijd scheelt het vaak rijen, hitte en wolken. Ik boekte mijn ticket vooraf online, dat spaart weer gedoe bij de kassa. Je kunt met het treintje omhoog, met een officiële shuttlebus, of met Uber/taxi tot een bepaald punt en dan overstappen op de shuttle. Ik deed het treintje heen en shuttle terug; vooral de terugweg was handig toen de rij bij het treintje absurd lang was.

De Suikerbroodberg is een perfect sunset-project. Ga in de namiddag omhoog met de kabelbaan, neem wat tijd voor het eerste plateau en zorg dat je rond golden hour boven bent. Houd rekening met wachttijden; ik stond eens bijna 40 minuten in de rij, maar het uitzicht tijdens de schemering is zo belachelijk goed dat ik het direct weer zou doen.

Copacabana voelt als een klassieker: drukker, wat ouder, meer hotels met historie én meer mensen die hun hele leven op precies dezelfde plek in het zand lijken te zitten. Ipanema is hipper, iets relaxter en qua sfeer fijner om te hangen. Ik sliep zelf in Ipanema, en liep ’s ochtends regelmatig naar Copacabana voor een wandeling langs de golfpatronen in het trottoir – ja, ik heb ook een cliché-foto met de tegels. Meerdere zelfs. Geen spijt.

Praktisch strandleven gaat zo: je huurt stoelen en een parasol voor een paar euro’s, betaalt contant, en laat je daarna vollopen met water, kokosnoten en caipirinha’s van rondlopende verkopers. Je spullen laat je nooit achteloos liggen als je gaat zwemmen. Ik legde waardevolle dingen niet zichtbaar in mijn tas, en als we allebei het water in wilden, vroegen we de buurman of hij even een oogje in het zeil hield, en deden dat andersom ook.

Qua inpakken moet je een beetje nadenken zoals bij een slimme paklijst voor een land met wisselend weer. Net zoals ik voor Japan veel had aan de paklijst voor Japan in juni, maakte ik voor Rio een mini-versie: zonnebrand met hoge factor, luchtige shirts, iets met lange mouwen voor verbrandde dagen, en een dun regenjasje voor die ene tropische bui die altijd komt als je er geen zin in hebt.

Mijn favoriete dagindeling rond de stranden: korte ochtendwandeling langs de boulevard als de zon nog zacht is, koffie en ontbijt in Ipanema, ergens tussen lucnh en namiddag een paar uur zwemmen en lezen, en dan rond golden hour naar de rots bij Arpoador voor de zonsondergang. Daarna douche, eten, taxi. De beste tijd om de boulevard op te gaan? Vroeg. Voor 9.00 uur is de stad nog niet volledig wakker en heb je het gevoel dat de kustlijn even van jou is.

Santa Teresa en Lapa: trams, street art en nachtleven met een rauw randje

Je staat zwetend op de Escadaria Selarón, iemand probeert je een biertje te verkopen dat veel te warm is, en een straatmuzikant speelt net-niet-goede bossa nova. Dat is ongeveer mijn eerste herinnering aan Lapa. Kleurrijk, druk, een tikje chaotisch.

Santa Teresa ligt daarboven, op de heuvel. Smalle straatjes, koloniale huizen, veel street art en kleine ateliers. Het voelt totaal anders dan de strandwijken. Minder strak, meer bohemien. Ik ging erheen met een Uber, een andere keer met de oude gele tram. De rit zelf is al de moeite waard; langzaam omhoog, uitzicht over de stad, ramen open, haar in de knoop.

Overdag kun je er rustig door de straatjes slenteren, koffie drinken op een hoek, even een klein museumpje in duiken. Geen grote must-see-attracties, meer een sfeerwijk. Ik merkte dat ik hier voor het eerst een paar uur gewoon “was” in Rio, zonder to-do-lijst in mijn hoofd.

Santa Teresa combineert goed met Lapa, omdat de beroemde bogen en de kleurrijke trappen precies ertussen liggen. Overdag is Lapa relatief rustig; je maakt foto’s, eet iets eenvoudigs, koopt misschien een drankje. ’s Avonds verandert alles in een uitgaanswijk: samba-clubs, livebandjes, mensen die op straat dansen. Superleuk, maar ook een plek waar ik extra goed op mijn spullen lette. Telefoon in de hand op straat vond ik hier geen goed idee.

Qua planning pakte ik dit een beetje zoals ik een intensieve dag in de bergen zou plannen. Toen ik bezig was met budgetteren voor een Himalaya-trek richting Everest Base Camp, rekende ik thuis al uit wat ik ongeveer aan entree, vervoer en eten kwijt zou zijn. In Rio deed ik dat een maatje kleiner: inschatten hoeveel Uber-ritten, drankjes en clubentrees er in zo’n avond gaan zitten, en dat bedrag gewoon contant meenemen. Scheelt gezoek naar pinautomaten op rare tijdstippen.

Slapen in Santa Teresa is sfeervol – ik logeerde er één nacht in een oud huis met uitzicht over de stad – maar het ligt wel afgelegen. ’s Avonds laat vond ik de terugweg naar boven niet altijd prettig. Lapa zelf is luid, rommelig en behoorlijk rauw; leuk om uit te gaan, niet per se waar ik mijn koffer wil uitpakken. Daarom kozen we uiteindelijk toch voor een hotel in Ipanema en deden we Santa Teresa en Lapa als dag- en avondtripjes met taxi of Uber.

Favela-tours en veiligheid in Rio: eerlijk beeld, slimme keuzes

Moet je nou wel of niet een favela-tour doen in Rio? Die vraag kreeg ik voor vertrek al tien keer. Mijn eigen antwoord: ja, maar alleen als de tour lokaal gerund wordt, kleinschalig is en duidelijk is waar het geld naartoe gaat.

Favela’s zijn geen decor. Het zijn wijken waar mensen gewoon leven: winkels, kerken, scholen, kinderen die naar voetbaltraining gaan. Tegelijk is er serieuze armoede, ongelijkheid en soms ook geweld. Ik wilde dat wel zien, maar niet als ramptoerist. Daarom koos ik voor een kleine tour met een lokale gids uit de wijk, in een groepje van zes. Geen gepanzerde bus, geen “kijk eens links, armoede”. Meer lopen, praten, luisteren.

Waar ik op lette bij het boeken: de gids komt er zelf vandaan, de groep is klein, er wordt duidelijk gezegd dat je geen foto’s van mensen maakt zonder te vragen, en dat de tour niet om sensatie gaat. Zodra ik in een omschrijving het woord “adrenaline” zag, haakte ik af.

De veiligheidssituatie verschilt per wijk en verandert snel. Ik checkte vlak voor vertrek recente blogs, fora en sites als atlas-guide.com om te zien welke buurten op dat moment werden afgeraden. Dat is geen perfecte methode, maar beter dan blind afgaan op ervaringen van vijf jaar geleden.

Ik sliep zelf in Ipanema en later een paar nachten in Leblon. Beide voelden veilig genoeg om ’s avonds nog een ijsje te halen of kort over het strand te lopen, al ging ik na donker niet meer uitgebreid het zand op. Copacabana was prima, maar daar voelde ik me sneller “toerist in vitrine”. Als iets niet goed voelde, draaide ik gewoon om. Eén keer stapten we uit de Uber op een wat te stille hoek en zijn we meteen doorgelopen naar een drukkere straat. Klaar.

Mijn vaste Rio-ritme qua veiligheid: geen sieraden, geen horloge dat lijkt op iets duurs, telefoon zo min mogelijk zichtbaar op straat, vooral ’s avonds. Tussen wijken nam ik na donker eigenlijk altijd taxi of Uber; lopen langs lege stukken boulevard voelde me gewoon niet goed. Strand na zonsondergang? Alleen kort en niet met al mijn spullen.

Trip Planner hielp me verrassend veel om dat soort zigzagbewegingen te beperken. Door mijn dagen vooraf in te delen in logische blokken – bijvoorbeeld “ochtend Christus + lunch in Cosme Velho” en “namiddag strand + avond Lapa” – hoefde ik minder vaak onnodig heen en weer door de stad. Minder tijd op straat met rugzak, minder kans op gedoe. Als je van lijstjes en schema’s houdt, is het handig om je Rio-dagen net zo strak te ordenen als een trektocht.

Eigenlijk bereidde ik me op Rio een beetje voor zoals op een zware hike. Voor Everest Base Camp had ik veel aan het trainingsschema uit de blog over trainen in 8–12 weken. Niet dat Rio op die manier extreem is, maar je loopt veel, het is heet, en als je conditie oké is, heb je net iets meer energie over om van de stad te genieten.

Dus ja: ga. Kijk rond. Luister. Drink je caipirinha, kijk de zon onder op Suikerbrood, loop over die kitscherige Copacabana-tegels. Maar neem veiligheid serieus. En onthoud dat je te gast bent in een stad die waanzinnig mooi is, en soms hard. Beide kloppen tegelijk.

Over de auteur

Sebastian Boguszewicz

Reiziger en reisfotograaf. Software-architect, maker van wereld-prijzen.nl en het reisplatform hikersbay.com.